De oeros was een fors rund met een schofthoogte van zo’n 180 tot 200 cm en een gewicht van 800 tot 1.000 kilo. Waarschijnlijk verschilden koe en stier van kleur: koeien en kalveren waren roodbruin terwijl de stier zwartbruin tot zwart was. We kunnen overigens niet met 100 procent zekerheid zeggen welke kleur deze dieren hadden, omdat haren na verloop van tijd enigszins kunnen verkleuren. Over de rug van oerossen liep een smalle lichte aalstreep en ook de neus was licht gekleurd. Kenmerkend voor oerossen zijn de horens. Deze stonden naar voren gericht en waren bovenaan naar binnen toe gekromd. Dat de oeros al tijdens de laatste IJstijd bestond weten we omdat onze voorvaderen, de ijstijdmensen, schilderingen van oerossen (maar ook van mammoeten, herten en wilde paarden) maakten in grotten van zuidelijk Frankrijk. Uit fossiele overblijfselen blijkt het oeros 700.000 jaar geleden al in Spanje te hebben geleefd.
Tot in de Middeleeuwen kwamen oerossen veelvuldig voor in Europa, West Rusland, het Midden Oosten en Noord Afrika. Ze leefden in vochtige gebieden langs rivieren, in kwelders en moerasbossen. Oerossen aten overwegend grassen en kruiden, maar ook blad van bomen en struiken. In de herfst stonden blad en eikels, of andere vruchten op het menu. Als het voedsel in de winter schaars was, aten oerossen ook twijgen en boombast. Vanuit de oeros zijn de talloze gedomesticeerde koeienrassen gekweekt die wij tegenwoordig nog steeds kennen.
Aan het eind van de Middeleeuwen ging het bergafwaarts met de oeros. Voor vlees en huiden werd veelvuldig op hem gejaagd. In 1627 werd in Polen de laatste oeros gedood. Dit was echter niet het definitieve einde van de oeros. Want driehonderd jaar later besloten twee Duitse broers, Heinz en Lutz Heck, om de oeros terug te fokken. Dit deden ze door bestaande oude runderrassen met elkaar te kruisen. Ze keken daarbij zowel naar uiterlijk als ook gehardheid en karakter van de nieuwe soort. Hoe de oeros eruit moest zien bepaalden ze aan de hand van middeleeuwse schilderijen. De oeros die we vandaag de dag kennen is dus eigenlijk de ‘nieuwe oeros’. Naar zijn twee ‘ontwerpers’ wordt deze nieuwe oeros ook wel Heckrund genoemd. Als je goed naar de oerossen in GaiaPark kijkt, kun je echter zien dat hij qua kleur en hoornvorm niet helemaal hetzelfde is als de oorspronkelijke oeros.

oeros koe oeros stier
Net als hun uitgestorven voorouders zijn Heckrunderen erg goed bestand tegen barre weersomstandigheden. In Nederlandse natuurgebieden worden ze daarom regelmatig ingezet als natuurlijke grote grazers. Ze leven het hele jaar in kuddes in de buitenlucht en kunnen zich bijzonder goed redden zonder menselijk ingrijpen. Ook de oerossen in GaiaPark kunnen het hele jaar door naar buiten. Elk jaar krijgen de oeroskoeien van GaiaPark een kalf en dat gaat meteen de volgende dag al mee naar buiten.